| APPEL, KAREL |
| Karel Appel (Amsterdam, 1921) ontmoette begin jaren veertig, tijdens zijn opleiding aan de Rijksacademie in Amsterdam, Corneille. In 1946 reisde Appel met hem naar Luik en een jaar later exposeerden ze samen. Na een tussenstop in Parijs keerden ze terug naar Amsterdam. Daar leerden ze Constant kennen en in 1948 exposeerden zij gedrieën in Amsterdam. Op 16 juli 1948
richtten Appel, Corneille en Constant samen met Anton Rooskens, Theo
Wolvecamp en Jan Nieuwenhuys (de broer van Constant) de Nederlandse
Experimentele Groep op. Appel heeft altijd de oproep tot directe expressie in verf voorgestaan, meer dan de door Constant bepleite marxistische analyse van de westerse beschaving. Aan de theoretische pamfletten van Constant en Dotremont heeft hij dan ook nooit veel aandacht besteed. In de Cobrajaren schilderde hij in felle kleuren, simpele vormen en met stevige lijnen vriendelijke, onschuldige kindwezens en fantasiedieren. Ook na het uiteenvallen van CoBrA heeft hij de gevoelsmatige benadering van zijn onderwerp weten te behouden. In de jaren vijftig ontwikkelde hij een steeds heftiger schildertrant; lijn en kleurvak smolten samen in een bewogen verfmassa. Naast schilderen heeft de veelzijdige Appel zich ook bezig gehouden met het maken van assemblages en beeldhouwwerken en het schrijven van gedichten. In 1953 was zijn werk te zien op de Biënnale van Sao Paulo en in dat jaar had hij tevens zijn eerste grote solotentoonstelling. In 1954 kreeg hij solotentoonstellingen in Parijs en New York. Deze markeerden het begin van een internationale carrière. "Ik schilder
als een barbaar in deze barbaarse tijd." |